Reageer op reactie

De zwarte sneeuwvlok


Het is een witte, witte wereld. Gestreeld door een koude wind, dwarrelen sneeuwvlokken richtingloos naar beneden. De god-god van de witte wereld ziet de spelende kristallen met minnelijke ogen aan: hij kijkt omhoog, door het open wak van het ijspaleisijs. Hij hoort ze praten. Met hun monden, mooi-mooier zelfs dan de zuiverste zeshoek, vertellen ze vrolijk van hun reizen in het Oosten en vrolijk van hun reizen in het Westen. "De reizen verzachten hun vrije val," weet god-god, en zijn glimlach blijft een lange tijd dwalen, in de lichtwerende muren van het ijspaleis.

Ontmoet al hebben de vlokken vele andere vlokken. De sterkristallen van zes maal wit, verstrengelen zich, soms met duizenden tegelijk, ze slijpen hun koude spitsen aan de binnenhoeken van de ander en de ijzige binnenhoeken van de ander worden scherper met elke geometrische verstrengeling. In deze zachte koude wereld is de priem-priemende samenhang de glanszijden tijd van elk verhaal over het Oosten en van elk verhaal over het Westen. God-god wendt zijn ogen af van het stekelspel, wrijft gelaten de perfecte kristallen van zijn eigen wit-witte kin, en bezaligt zich aan de duizelingwekkende complexiteit van het reizende ijslicht dat ingezet is door de kinloze vallende kristallen.

De volgende dag weer kijkt god-god door het wak naar boven. Een nieuwe vlok is geboren in het hoog-hoge Noorden. De vlok ziet een wit-witte wereld, zoals voorheen alle vlokken deden. Gestreeld door de wind trilt ook deze vlok richtingloos naar beneden. Maar toch, vandaag, ziet god-god de spelende kristallen verschrikt aan. Er is een zwarte vlok. Er is een zwarte vlok ontstaan. Een zwarte vlok die dwaalt naar het Oosten en die dwaalt naar het Westen. Hij ziet hem een-eenzaam naar de witte verhalen luisteren over priem-priemende kristallen.

Spitsen heeft de zwarte vlok nauwelijks herkenbaar, ze zijn verbogen tot hangende, verwilderde lokken. De mond is warmrond en anders als de nacht. De witte vlokken priem-priemen de zwarte gelijk een witte vlok, maar ze stompen slechts hun spitsen op de zwartwarme romp. Elke verstrengeling is een smelting, een zwarte aansmelting, een witte verstomping. De smelting buigt de trilling om tot zwaarte. Tot op het laatst, zwaar en gericht, de zwarte klomp met donderende vaart door het wak van het ijspaleisijs op de grond voor de voeten van god-god valt. De zwarte vlok blijft een lange tijd dwalen, in de lichtwerende muren van het ijspaleis, totdat het verdwijnt, onder de ijzige voeten van god-god, wiens naam zijn gedachte geworden was.

Ben Weerdink
Geplaatst op Zondag, 29 maart, 2009 - 16:41
Laatst herzien op Zaterdag, 12 december, 2009 - 00:26

Reageren

  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Regels en paragrafen worden automatisch gesplitst.

Meer informatie over formaatmogelijkheden