Grap


Stel je nou eens voor dat je aan het afwassen bent. Het is een kleine afwas, een paar glazen, twee borden, wat bestek, meer niet. Onvermijdelijk is het dat je je hand in het water steekt, want hoe anders krijg je een glas onder het sop vandaan, en stel je voor dat het water voor het eerst sinds tijden werkelijk kokend heet is geworden. Dat de geiser het gelukkig weer doet, is niet de eerste gedachte die in je opkomt, maar wel de wens om razendsnel je hand uit het water te halen. Stel je voor dat je dat vervolgens doet. Met een ruk. Het glas nog in je hand. Die hand wapper je wild heen en weer om het vuur eruit te schudden. Dat zou zomaar het glas op de grond kunnen vallen, dat het ook gebeurt. Maar stel je nou ook eens voor dat je een dermate grote tegenwoordigheid van geest hebt, dat je met rare sprongbewegingen het glas precies zo op je besokte voeten weet te laten vallen, dat wel de val gebroken wordt, maar niet het glas. Het geluksgevoel dat normaal iemand overvalt wanneer zulke acrobatische toeren tot succes leiden, kan echter niet de overhand krijgen, want het vuur zit je nog in je vingers. Stel dan dat een oude truc je te binnen valt en dat je naar de badkamer rent om tandpasta op je vingers te smeren. Even is er dan een intense pijn, maar die verdwijnt wel weer, zo weet je. Eindelijk is er dan de tijd om je gelukkig te prijzen over de werkende geiser. Je sopt de rest van de afwas weg en laat het drogen op het aanrecht.

Stel je voor dat dit alles echt gebeurt en dat je daarna de stofzuiger ter hand neemt, want je geliefde komt op bezoek: we stellen ons zo voor dat er een geliefde bestaat. Je zuigt de slaapkamer, neemt de badkamer zelfs mee, hoewel de herinnering aan helse tandpastapijnen nog vers in je geheugen ligt, en treedt al zuigend de keuken binnen, de plaats waar het leed begon. Stel dat je een kloek besluit neemt om de keuken extra goed te zuigen, om het leed te ruimen, als het ware.

Je drukt de stofzuigermond ferm op de vloer en laat hem de vloer schoon zoenen, ja zoenen, want het is een van de eerste lentedagen en zelfs een zak aardappelen is sensueel op zo'n moment. Stel je voor dat je je identificeert met de stofzuigermond en dat je ergens tussen de vloer en de zuigende mond je geliefde voorstelt. Dan is het niet meer dan logisch dat de bewegingen al snel wat heftiger worden, zo heftig dat de zuigerslang meer zwiept dan je oorspronkelijk berekend had en zich vervolgens al slingerend een plaats boven het aanrecht verovert ten koste van twee natte maar nog hele glazen. De glazen vallen op de vloer in honderden stukjes, het ene wat groter dan het andere. Op een van die grotere stukken glas zou je je voet kunnen zetten. Stel dat dat ook echt gebeurt. Stel je je de pijn voor, maar vooral ook de bloedvlek die zich onder de zo-even nog zo sensuele stofzuigermond een plek heeft veroverd, nadat je die sterk verlaat uit je handen hebt laten vallen.

Je trekt je sokken uit, plakt een pleister op de wond en sopt het bloed op. Daarna ruim je, met de nieuwe sokken aan, de glasresten weg.

Stel je vervolgens voor dat je je niet uit het veld laat slaan en na de herstelwerkzaamheden besluit om ook de rest van de kamer te doen. Je zuigt als een bezetene en stoot her en der wat houtsplinters van tafelpoten weg, want je bent boos, ook al is het lente. Vooral de randen van de kamer krijgen speciale aandacht. Daar zitten plinten. Die plinten blijken los te gaan als je te hard zuigt. Je vloekt en vraagt je af waar je mee bezig bent. Dat is goed voor te stellen, lijkt me. Je nadert al zuigend en stampend je bureau waarvan je de poten met extra harde hand bedient. Op het bureau staat nog een glas dat je vergeten was. Zelfs in een imaginaire wereld wordt wel eens wat vergeten. Dat glas dondert vervolgens op de grond en breekt. Kun je je dan voorstellen dat je blij bent dat je niet in de glasscherven bent gaan stappen? Ik niet.

Je kunt je voorstellen dat op zo'n moment de schoonmaakactie beƫindigd wordt, dat de badkamer en de wc nog vuil zijn, dat dat nog wel een tijdje zo zal blijven, zelfs al komt je geliefde binnenkort en zal ze steen en been klagen over je gebrekkige huishouding. Het is niet meer voor te stellen, dat het allemaal zo gebeurd zou zijn. Zou dat wel zo zijn, dan verdien je geen bezoek, eigenlijk, je dient weg te kruipen in een donkere schuur zonder geiser en stofzuiger, je moet je handen aan je voeten vastbinden zoals je slecht gereedschap tezamen bundelt en onder in een kist legt. Het is ook beter om in zo'n geval je ogen te sluiten, opdat er zich geen nieuwe uitdagingen meer aan je zullen opdringen.

Maar het is niet aannemelijk dat zulks ook gebeurd is.

Henk Ellermann
Geplaatst op Donderdag, 16 april, 2009 - 13:26
Laatst herzien op Donderdag, 16 april, 2009 - 13:30

Verschenen in UB Blad, juni 2008