Ik stap in de trein naar Tilburg. Het laatste Noord-Nederlandse zand schudde ik van mijn schoenen af. Ik had zo goed als niets bij me. De verhuizers waren zo vriendelijk om voor het luttele bedrag van 10 euro extra ook nog mijn tas mee te nemen. In mijn portemonnee had ik alles van waarde gestoken, uit voorzorg. Je weet het maar nooit met die Stadjers. Het is de laatste reis uit Groningen als woonplaats. Kom ik hier ooit weer, dan staat er geen huis meer waar ik de sleutel van heb. Zelfs sleutels moet je inleveren in dit van alle beschaving ontdane oord.
Groningen ...
Het is een ongelooflijk naargeestige plaats. Het weer is guur en koud en de mensen zijn erger dan ratten, ze praten zelfs minder goed. Douches worden al jaren niet meer gebruikt. Het licht valt om de haverklap uit en kaarsen zijn niet meer te krijgen. Voedsel is vervangen door jenever, de jenever wordt gestookt van rioolwater, het rioolwater wordt drie keer gebruikt voor het afgevoerd wordt. De wolken zijn akelig bruin en hebben paarse randen, ze razen in de rondte, ze kunnen nergens anders heen. Het luchtalarm gaat regelmatig af hoewel een bom hier geen enkele schade meer zou aanrichten.
De trein vertrekt. Nog geen 10 minuten onderweg stopt hij met piepende remmen. Een dronken Groninger heeft aan de noodrem gehangen. "Dat is elke keer weer raak," zei de man tegenover me. Hij bleek uit Tilburg te komen. "De laatste keer hingen ze met zijn vieren tegelijk aan de noodrem. Je moest es weten wat ze hier als ontbijt nemen!" Hij knipoogde veelzeggend.
Na een half uur ging de trein verder, de dronken Groninger en de conducteur waren inmiddels dikke maatjes geworden, die luid knauwend de stilte coupé onteerden. Zonder verdere noemenswaardige problemen, of het moest zijn dat in de buurt van Meppel een paar jongeren een oude heer ombrachten, bereikte de trein Tilburg.
Aangekomen in mijn nieuwe flat, waar de Groningse verhuizers de boel hadden neergekwakt, bleek het stil en schemerig. Het weer was guur en koud. Mensen waren er wel, maar ze spraken een vreemde taal, een muizentaal. Elke punt aan het eind van de zin was een hoge noot. Licht had het appartement niet, dat was nog niet aangesloten. Ergens tussen de dozen had ik nog een fles oude jenever verstopt. De verhuizers hadden die gelukkig niet gevonden. Ik schonk me een glas in en keek uit het raam, naar de lucht. De wolken waren donkerbruin, maar zonder paarse randen. De donkergele jenever gleed naar binnen als een Groninger door een kroegdeur. Ik kon niets doen in dit stroomloze appartement. Van verveling dook ik mijn bed in, maar kon de slaap niet vatten. Pas toen ik een luchtalarm meende te horen, viel ik in slaap.
De volgende ochtend kon ik het niet opbrengen om te gaan douchen. Ongeschoren en ongewassen sloop ik naar de dichtstbijzijnde boekwinkel, om een fotoboek te kopen van het meest bruisende achterwerk van Nederland.
DB der Ned. Letteren Gutenberg project Hijstek Tekst & Research Koelman.com Laurens Jz Coster Lingo24 Literatuur Geschiedenis Mijnwoordenboek Nobody here Opentaalbank Spreekwoordenboek Synoniemennet Taaluniversum Wiktionary Woxikon
Professional Drupal themes by ThemeArtists.com