De zin "Hij zat hem flink op te pijpen" heb ik letterlijk zo gehoord. De betekenis ervan zat ergens tussen ophemelen en opfokken.
Nu is oppijpen geen nieuw woord. Het komt gewoon voor in onze woordenboeken en wordt omschreven als opspelen, opscheppen of opblazen. Maar zo werd het woord niet gebruikt, ik zweer het.
Er zit ook wel een belangrijk verschil tussen oppijpen en, bijvoorbeeld, opspelen. "Ik speel op" kun je rustig zeggen. "Ik pijp op" niet. Wat pijp je op? is de vraag die vrijwel onmiddellijk volgt.
Een synoniemenwoordenboek vermeld opspelen ook al als synoniem met oppijpen. Het synoniemen rijtje is dan: blaffen, brommen, een stem opzetten, fulmineren, knorren, oppijpen, protesteren, razen, snauwen, tekeergaan, tieren, uitvaren.
Oppijpen kan niet in dit rijtje passen, omdat je "iets" (anders dan jezelf) moet oppijpen.
Dus zal het woord, zonder enige twijfel, uit dit synoniemen lijstje verdwijnen, zich vervreemden van de betekenis die het nu nog officieel heeft en zich tot een woord met een eigen betekenis (gaan) ontwikkelen. Pijpen heeft toch iets te maken met plezieren, al is het maar per associatie, en dus had de spreker toch gelijk toen hij oppijpen gebruikte en ophemelen en opfokken bedoelde.
Henk EllermannVrijdag, 27 maart, 2009 - 22:12Laatst herzien op Woensdag, 8 april, 2009 - 20:26
Woordenboek Woordenlijst Nieuwe Woorden Bijgewerkte Woorden
DB der Ned. Letteren Gutenberg project Hijstek Tekst & Research Koelman.com Laurens Jz Coster Lingo24 Literatuur Geschiedenis Mijnwoordenboek Nobody here Opentaalbank Spreekwoordenboek Synoniemennet Taaluniversum Wiktionary Woxikon
Professional Drupal themes by ThemeArtists.com